Bloedsuikerwaarden

Het lichaam van de mens heeft energie nodig om te kunnen functioneren. Beter gezegd: de mens heeft energie nodig om te kunnen leven. Om die energie te krijgen, moeten we eten. Het lichaam haalt haar energie namelijk uit het voedsel dat zij binnenkrijgt. Nadat we bijvoorbeeld een boterham hebben gegeten, wordt het voedsel in ons lichaam verwerkt en omgezet in een soort suiker dat we glucose noemen. Nadat dit stofje door het lichaam is aangemaakt, zorgt ons bloed ervoor dat de glucose door ons hele lichaam wordt verspreid. Dankzij dit proces heeft het lichaam weer voldoende energie om te kunnen leven. De hoeveelheid aan suikers (glucose) in ons bloed noemen we de bloedsuikerspiegel. Bij te veel suikers in het bloed is deze te hoog, en bij te weinig suikers is de bloedsuikerspiegel te laag.

Voor een gezond mens hoeft dit geen probleem te zijn: het lichaam kan de suikerspiegel namelijk prima zelf reguleren door middel van het aanmaken van insuline. Dit hormoon wordt aangemaakt in de alvleesklier, en zorgt ervoor dat het teveel aan suikers wordt afgebroken. Voor mensen met diabetes werkt dit helaas anders: vanwege een verstoorde werking van de alvleesklier kan het lichaam de bloedsuikerspiegel niet (meer) zelf reguleren. Het gevolg: mensen met diabetes hebben te veel suiker in het bloed. Voor deze groep mensen is het daarom belangrijk om de bloedsuikerspiegel regelmatig te meten. De uitkomst van dit onderzoek wordt uitgedrukt in bloedsuikerwaarden. Wat zijn normale bloedsuikerwaarden? En hoe reguleert iemand met diabetes deze suikerwaarden? De antwoorden op deze vragen leest u op deze pagina.

Wat zijn bloedsuikerwaarden?

Bloedsuikerwaarden drukken de hoeveelheid aan suikers in het bloed uit. Voor mensen met diabetes is het erg belangrijk om regelmatig de bloedsuikerspiegel te meten. Een te hoge suikerspiegel kan namelijk zorgen voor complicaties. Dit geldt ook voor te lage suikerwaarden.

De oorzaken voor een te hoge, of te lage bloedsuikerspiegel zijn per vorm van diabetes anders. De alvleesklier van mensen met diabetes type 1 maakt geen insuline aan. Het afweersysteem van deze mensen heeft de cellen die verantwoordelijk zijn voor de aanmaak van insuline namelijk gezien als cellen die ziektes veroorzaken. Gevolg: deze goede cellen worden vernietigd, waardoor suikers niet kunnen worden afgebroken.

Om het teveel aan suikers te verminderen moeten mensen met diabetes type 1 daarom zelf insuline inspuiten. Bij diabetes type 2 werkt het net iets anders. De alvleesklier van mensen met diabetes type 2 maakt te weinig insuline aan, of is ongevoelig geworden voor het hormoon.

Er kunnen meerdere oorzaken zijn voor het krijgen van deze vorm van diabetes: erfelijkheid kan een rol spelen, maar ook een ongezonde levensstijl is een belangrijke oorzaak. Mensen met overgewicht zijn daarom gevoeliger voor het krijgen van diabetes dan iemand zonder overgewicht: lichaamscellen van een te zwaar persoon worden minder gevoelig voor insuline. Bewegen, gezond eten en niet roken kunnen de klachten van diabetes type 2 verminderen. Net als voor mensen met diabetes type 1, kan het voor mensen met de tweede variant ook ooit nodig zijn om insuline in te spuiten. Voordat bepaald wordt of dit nodig is, zullen de bloedsuikerwaarden moeten worden gemeten.

Normale, te hoge, of te lage suikerwaarden

Hoe wordt er gemeten of je diabetes hebt? Om te kunnen bepalen of er te veel suikers in het bloed aanwezig zijn, moet er een bloedtest worden gedaan. Een prikje in de middelvinger of ringvinger is voldoende om een druppel bloed op te kunnen vangen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde ‘prikpen’. Door middel van een lancet (priknaaldje) kan er een bloeddruppel verkregen worden, die vervolgens op de teststrip wordt gedaan. Deze strip wordt in een bloedglucosemeter gedaan. Nadat de meter klaar is met meten, kan de bloedsuikerwaarde van de meter worden afgelezen. Bloedsuiker kan nuchter (acht uur daarvoor niets gedronken en gegeten, enkel water) worden geprikt, of niet nuchter (anderhalf tot twee uur na een maaltijd). Aan de hand van de uitslag van een bloedsuikertest kan worden bepaald of iemand diabetes heeft:

Bloedwaarden bij nuchter prikken:

* Geen diabetes – onder 6,1 mmol/l
* Voorfase diabetes – tussen 6,1 en 6,9 mmol/l
* Diabetes – boven 6,9 mmol/l

Bloedwaarden bij niet nuchter prikken:

* Geen diabetes – onder 7,8 mmol/l
* Diabetes – boven 11 mmol/l

Te lage suikerwaarden: hypoglykemie

Een bloedwaarde van minder dan 4 mmol/l kan leiden tot een ‘hypo’. De bloedsuikerspiegel is te laag, waardoor er complicaties op kunnen treden. Mensen met diabetes kunnen door verschillende oorzaken een hypo krijgen: door minder of ander voedsel, na het drinken van alcohol, door het inspuiten van te veel insuline, of doordat er meer beweging is geweest dan normaal. Het lichaam reageert op deze oorzaken in de vorm van een lage bloedsuiker. Wat je kunt merken bij een te lage bloedsuiker:

  • duizeligheid
  • zweten
  • slecht humeur
  • regelmatig gapen
  • hartkloppingen
  • trillen
  • een hongergevoel
  • slechter zien

De meeste mensen met diabetes voelen op tijd aan dat zij een te lage bloedsuikerspiegel hebben. Zij kunnen er op tijd iets aan doen om een hypo te voorkomen, bijvoorbeeld door iets zoets te eten of te drinken, of 6 tot 8 tabletten druivensuiker in te nemen. Wanneer je diabetes hebt, zorg je er daarom dan voor dat je altijd voldoende druivensuiker of een drankje met suiker bij zich hebt. Nadat je deze suiker hebt ingenomen, dien je na een uur ook iets anders te eten.

Voel je een hypo niet goed aankomen? Je  arts kan je helpen met manieren om hiermee om te gaan. Meer informatie over de oorzaken en gevolgen van te lage bloedsuikerwaarden lees je op de pagina hypo bij diabetes.

Te hoge suikerwaarden: hyperglykemie

Het tegenovergestelde van een hypo, is een hyper. Bij suikerwaarden boven 10 mmol/l heb je een te hoge suikerspiegel. Een hyper kan worden veroorzaakt door te veel eten, ziekte of stress. Het is voor een iemand met diabetes niet altijd makkelijk om een hyper te herkennen. Een erg hoge bloedsuikerspiegel kun je wel goed herkennen aan de volgende symptomen:

  • geen honger
  • veel dorst
  • vaak plassen
  • misselijkheid of overgeven
  • moe
  • slecht humeur

Bij een hyper heeft iemand met diabetes geen insuline in het lichaam. Er kan daardoor geen glucose worden gebruikt die nodig is om energie te krijgen. De cellen van het lichaam gaan daardoor vetten en eiwitten verbranden, waarbij ongezonde afvalstoffen in het bloed terecht komen. In de meeste gevallen moet je bij een hyper insuline inspuiten. Wanneer je een zware ademhaling krijgt en de adem naar aceton ruikt, bel dan direct een dokter. Meer informatie? Op de pagina hyper bij diabetes wordt er dieper ingegaan op dit onderwerp.

Je mening

Hi! We horen graag wat je van deze website vindt. Mis je bijvoorbeeld nog informatie of heb je opmerkingen over de website? Stuur ons je feedback!


Gelieve dit veld leeg te laten.